§ 1. Aansprakelijkheid voor ondergeschikten

 

Artikel 6:170 BW luidt:

  1. Voor schade, aan een derde toegebracht door een fout van een ondergeschikte, is degene in wiens dienst de ondergeschikte zijn taak vervult aansprakelijk, indien de kans op de fout door de opdracht tot het verrichten van deze taak is vergroot en degene in wiens dienst hij stond, uit hoofde van hun desbetreffende rechtsbetrekking zeggenschap had over de gedraging waarin de fout was gelegen.
  2. Stond de ondergeschikte in dienst van een natuurlijke persoon en was hij niet werkzaam voor een beroep of bedrijf van deze persoon, dan is deze slechts aansprakelijk, indien de ondergeschikte bij het begaan van de fout handelde ter vervulling van de hem opgedragen taak.
  3. Zijn de ondergeschikten en degene in wiens dienst hij stond, beiden voor de schade aansprakelijk, dan behoeft de ondergeschikte in hun onderlinge verhouding niet in de schadevergoeding bij te dragen, tenzij de schade een gevolg is van zijn opzet of bewuste roekeloosheid. Uit de omstandigheden van het geval, mede gelet op de aard van hun verhouding, kan anders voortvloeien dan in de vorige zin is bepaald.

Artikel 6:170 BW legt op werkgevers een risico-aansprakelijkheid voor schade door hun werknemers aan derden berokkend. Het is hierbij dan ook zonder belang of de werkgever enig verwijt kan worden gemaakt.

 

Op artikel 6:170 BW kan een beroep worden gedaan:

  1. als er sprake is van een ondergeschikte die
  2. door zijn fout schade heeft toegebracht aan een derde en
  3. er voldoende verband bestaat tussen de fout en de aan de ondergeschikte opgedragen taak.

 

     
Zoek :