2.5 Ander verband met de werkzaamheden

 

Een recent voorbeeld van deze categorie is te vinden in het arrest KLM/De Kuijer van de Hoge Raad . Het betrof een piloot die gedurende de wachttijd tussen twee vluchten in Abidjan (Ivoorkust) tijdens een taxirit op weg naar een restaurant ernstig letsel opliep en voor de daaruit voortvloeiende schade zijn werkgever aansprakelijk stelde. De vraag of een dergelijke situatie onder het bereik van artikel 7:658 BW valt kwam in dit arrest niet aan de orde. Wel blijkt uit dit arrest dat de rustperiode tussen twee vluchten moet worden aangemerkt als een periode met een zodanige samenhang met de werkzaamheden, dat de werkgever voor ongevallen die zich in deze periode voordoen aansprakelijk kan zijn op grond van artikel 7:611 BW. Zo overweegt de Hoge Raad:
In dit licht brengt de arbeidsovereenkomst tussen partijen, waarvan de inhoud mede wordt bepaald door goed werkgeverschap, mee dat:

  • KLM maatregelen neemt om deze risico’s tot een minimum terug te brengen (voor het hier aan de orde zijnde risico: bijvoorbeeld het verzorgen van eigen vervoer of het verschaffen van informatie over goede vervoerders),
  • althans deze risico’s voor haar rekening neemt (eventueel door het sluiten van adequate verzekering, waarbij (…),
  • althans effectief waarschuwt voor de bijzondere risico’s en de mogelijke gevolgen daarvan onder de mededeling dat die risico’s voor rekening van de betrokken werknemers blijven en onder aanbieding van een adequate verzekering.
  • KLM heeft [lees:] noch het een, noch het ander gedaan.”

 

Recentelijk heeft zich in de lagere rechtspraak nog een soortgelijk geval voorgedaan . Het betrof hier een stewardess die gedurende de wachttijd tussen twee vluchten in Cuba door de piloot wordt aangereden met een golfkarretje en (mede) haar werkgever hiervoor aansprakelijk stelt. Zij baseert zich primair op artikel 6:170 BW en subsidiair op artikel 7:658 en/of 7:611 BW. De rechtbank wijst aansprakelijkheid op de primaire grond af omdat er geen functioneel verband bestaat tussen de onrechtmatige handeling van de piloot en de aan hem opgedragen werkzaamheden. Haar vordering op grond van artikel 7:658 BW wordt afgewezen omdat in dit geval op de werkgever geen zorgplicht rustte: ‘Van Martinair kon moeilijk worden verwacht dat zij Mus zou hebben gewaarschuwd om niet ’s nachts over het wandelpad van het restaurant in Cuba naar het hotel te lopen’. Uiteindelijk slaagt de vordering wel op grond van goed werkgeverschap conform de bovengenoemde gezichtspunten uit het KLM-arrest (zie ro. 3.13).

 

     
Zoek :