5.1. Artikel 6:106 BW

 

Artikel 6:106 BW bepaalt wie recht heeft op smartengeld, te weten: de benadeelde zelf.
Daarnaast bepaalt het artikel in welke gevallen de benadeelde recht heeft op smartengeld, namelijk:
a. De aansprakelijke persoon het oogmerk had zodanig nadeel toe te brengen;
b. Hij lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.
c. (kort gezegd) het nadeel is gelegen in aantasting van de nagedachtenis van een overledene.
 

     
Zoek :