2.4 Bedrijf

 

De term ‘bedrijf’ dient ruim te worden uitgelegd. Niet beslissend is of er sprake is van een winstoogmerk. De strekking van de regeling is om de benadeelde een eenvoudig traceerbare vordering te geven, indien hij schade lijdt door bedrijfsmatige activiteiten van organisaties die zich tegenover hem als een eenheid presenteren en waarbij het ‘bedrijfsgebeuren’ in beginsel op profijt is gericht.
Uit artikel 6:171 BW volgt verder dat het artikel in principe n.v.t. is t.a.v. degene die in de uitoefening van een beroep bepaalde werkzaamheden aan een aan hem niet ondergeschikte derde opdraagt. Volgens de parlementaire geschiedenis is de reden hiervoor dat in het bijzonder de aan deze bepaling ten grondslag liggende eenheidsgedachte alsmede de ondoorzichtigheid van de interne rechtsverhouding t.o.v. de derden hiervoor niet geldt. Dit zou anders zijn indien het beroep bedrijfsmatig wordt uitgeoefend. Wanneer hiervan sprake is is niet echt duidelijk. Indien dit geschiedt in de vorm van een BV of een NV is er vrijwel steeds sprake van bedrijfsmatige beroepsuitoefening.
De onafhankelijke opdrachtgever dient bedrijfsmatig werk te verrichten. De vrije beroepen vallen dus buiten het bereik van dit artikel, behalve wanneer zij bedrijfsmatig (in een BV) opereren. Zo zal een arts niet aansprakelijk zijn voor een fout van zijn waarnemer en de advocaat niet voor zijn procureur.
De overheid als opdrachtgever valt buiten het bestek van deze aansprakelijkheid uit vrees voor onoverzienbare consequenties . Op overheidsbedrijven (bijvoorbeeld nutsbedrijf) is het artikel wel van toepassing. Verenigingen en stichtingen oefenen geen bedrijf uit, maar kunnen als opdrachtnemer uiteraard wel een bedrijfsmatige opdrachtgever aansprakelijk doen zijn op grond van deze bepaling.
Bepalend voor de vraag of een bepaalde werkzaamheid tot de bedrijfsactiviteit behoort, is het criterium van de eenheid van de onderneming. Aansprakelijkheid bestaat niet wanneer de benadeelde de dader en het bedrijf van diens opdrachtgever niet als een zekere eenheid van onderneming kan beschouwen. De schade behoort dan niet tot de risicosfeer van de opdrachtgever. Aansprakelijkheid bestaat alleen indien aan de bedrijfsuitoefening van de opdrachtgever is deelgenomen.

 

Hoge Raad 21 december 2001, NJ 2002, 75 (Delfland/De Stoeterij).
Artikel 6:171 BW moet restrictief worden opgevat. Aansprakelijkheid voor onrechtmatig handelen van een niet ondergeschikte opdrachtnemer bestaat alleen indien het gaat om werkzaamheden die een opdrachtgever ter uitoefening van zijn bedrijf door die opdrachtnemer doet verrichten. Aansprakelijkheid kan niet worden aangenomen indien de benadeelde de dader en het bedrijf van diens opdrachtgever niet als een zekere eenheid kan beschouwen. De in het artikel voorkomende woorden: "werkzaamheden ter uitoefening van diens bedrijf" houden een belangrijke beperking in; alleen het geval van degene die aan de bedrijfsuitoefening zelf van de opdrachtgever deelneemt, valt eronder.

 

Hartkamp pleit ervoor het functioneel verband m.b.t. de artikelen 170 lid 1 en 171 BW op dezelfde wijze te interpreteren .
 

     
Zoek :