8.3. Berekening omvang en periode van verzuim

 

Sinds 1971 wordt de hoogte van de wettelijke rente bij algemene maatregel van bestuur vastgesteld, artikel 6:120 BW.De maatstaf voor het vaststellen van de wettelijke rente is de rentevoet die door de handelsbanken voor diverse soorten van bedrijfskredieten aan hun cliënten wordt berekend. Het uitgangspunt is dus de rente waartegen de schuldeiser bij het uitblijven van betaling elders vervangend geld kan opnemen en niet de rente die de schuldeiser over het bedrag had kunnen maken, indien dit tijdig aan hem was betaald.
Sinds 1 januari 1990 geschiedt aanpassing van de wettelijke rente, voorzover nodig, tweemaal per jaar: per januari en per 1 juli. De hoogte van de wettelijke rente wordt gebaseerd op de formule: promessedisconto van de Nederlandsche Bank NV + 2,5 procentpunten.
Lid 2 van artikel 6:120 BW bepaald dat bij wijziging van de wettelijke rente door een nieuwe AMvB, de wettelijke rente die loopt met ingang van het tijdstip van de inwerkingtreding van de nieuwe AMvB volgens de nieuwe rentevoet wordt berekend.
De wettelijke rente is verschuldigd over de tijd dat de schuldenaar met de voldoening van de geldsom in verzuim is (artikel 6:119 lid 1). (Hierin ligt een belangrijke wijziging t.o.v. het oud BW, dat volgens artikel 1286 (oud) BW voor het ingaan van de wettelijke rente bovendien een aanmaning eiste met de mededeling dat de schuldeiser bij niet betaling aanspraak maakte op vergoeding van interesten (het aanzeggen van wettelijke rente)).
De vraag wanneer het verzuim intreedt, eindigt en evt. wordt onderbroken, moet worden beantwoord aan de hand van de algemene regels van artikel 6:81 BW e.v. terwijl ook artikel 6:61 BW (gevolgen schuldeisersverzuim) daarbij van belang kan zijn.
Artikel 6:81 BW bepaalt dat de schuldenaar in verzuim is gedurende de tijd dat de prestatie uitblijft nadat deze opeisbaar is geworden en aan de eisen van de artikelen 6:82 en 6:83 BW is voldaan. Om de schuldenaar in verzuim te brengen moet hij in beginsel in gebreke worden gesteld (artikel 6:82 BW), behalve wanneer één van de drie in artikel 6:83 BW genoemde gevallen zich voordoet.
Voor de personenschade-praktijk is met name artikel 6:83 sub b BW van belang: het verzuim treedt zonder ingebrekestelling in wanneer de verbintenis voortvloeit uit onrechtmatige daad of strekt tot schadevergoeding als bedoeld in artikel 6:74 lid 1 BW (wanprestatie) en de verbintenis niet terstond de betalen, komt derhalve in verzuim, zodra de vordering tot schadevergoeding opeisbaar is.

 

De vraag wanneer de vordering tot schadevergoeding opeisbaar is, is echter niet altijd eenvoudig te beantwoorden. Als uitgangspunt stelt de minister dat dit in de regel wordt bepaald door de vraag wanneer de schade geacht moet worden te zijn geleden. De wijze van schadebegroting kan hierbij van belang zijn:

  1. Wordt de schade abstract berekend naar het tijdstip van de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust dan zal zij terstond opeisbaar worden, ook al staat het bedrag van de schade nog niet vast .
  2. Maar wordt de schade vastgesteld op bepaalde in concreto gemaakte kosten (bijv. ziekenhuiskosten), dan zal men kunnen aannemen dat de opeisbaarheid pas ontstaat, nadat de benadeelde deze kosten daadwerkelijk heeft gemaakt.

Zo zal het ook bij schade die van een toekomstige onzekere gebeurtenis afhangt (art. 6:105 BW), verschil maken of deze schade bij voorbaat wordt vastgesteld op een bedrag ineens, dan wel aan de aansprakelijke persoon een uitkering wordt opgelegd waarvan de termijnen pas in de toekomst telkens opeisbaar zullen worden.

Voor het verschuldigd worden van wettelijke rente is het niet nodig dat het schadebedrag al is vastgesteld. Er kan dus wettelijke rente worden gevorderd over het bedrag dat later komt vast te staan.
 

     
Zoek :