6.1 Bezitter

 

De risicoaansprakelijkheid voor dieren rust op de bezitter (artikel 3:107 BW; bezit is het houden van een dier voor zichzelf) en wordt begrensd door een tenzij-formule. Dit betekent dat de bezitter aansprakelijk is, ongeacht de vraag of hij schuld heeft of niet.
De bijzondere aansprakelijkheden uit afdeling 6.3.2. BW lopen samen met de ‘normale’ aansprakelijkheden uit onrechtmatige daad en ook met eventuele contractuele aansprakelijkheden. Zij zijn dan beide van toepassing en van geval tot geval moet worden uitgemaakt in hoeverre de overeenkomst de gevolgen van wettelijke aansprakelijkheid nader regelt of beïnvloedt.
 

Hoge Raad 27 april 2001, NJ 2002, 54 (CJHB), VR 2001, 136 (C.C. van Dam).
Een dierenarts die tijdens de behandeling van een paard letsel oploopt, kan , ook al is er sprake van een contractuele setting ( i.c. een behandelingsovereenkomst), de bezitter van het dier aansprakelijk stellen op grond van artikel 6:179 BW. Het een sluit het ander niet uit. Contractueel kan deze bepaling buiten toepassing worden verklaard, maar dat is i.c. niet gebeurd.
 

De bezitter blijft ook aansprakelijk voor weggelopen dieren. Dit is slechts anders als hij het bezit kennelijk heeft prijsgegeven, het op een ander is overgegaan (artikel 3:117 BW), de dieren uit zijn macht zijn geraakt en verwilderd of hij nalaat deze te vangen.
Medebezitters zijn hoofdelijk aansprakelijk (artikel 6:180 lid 1 BW). Op grond van artikel 6:181 lid 2 BW is in bepaalde gevallen de bedrijfsmatige exploitant van het dier de aansprakelijke persoon.
Wanneer dieren worden gestald bij iemand anders, blijft de bezitter aansprakelijk, tenzij degene bij wie ze worden gestald ze gebruikt in het kader van zijn bedrijf (artikel 6:181 lid 2).
Ouders zijn vervangend aansprakelijk voor dieren van hun kinderen, aldus artikel 6:183 lid 2 BW.
Door het bezitsvereiste is aansprakelijkheid voor in het wild levende dieren niet mogelijk op grond van dit artikel.
 

     
Zoek :