7.2 Eigen schuld: artikel 6:101 BW

De eigen schuld-regeling van artikel 6:101 BW heeft invloed op de omvang van de schade, het kan een 100% vergoeding in de weg staan .
Wanneer de schade behalve aan een gebeurtenis waarvoor een ander aansprakelijk is, ook aan omstandigheden is toe te schrijven die aan het slachtoffer zijn toe te rekenen, behoeft die ander in beginsel slechts een gedeelte van de schade te vergoeden.
Artikel 7:658 BW is echter een alles-of-niets-bepaling. Hoe zit het met de verenigbaarheid van artikel 6:101 BW en artikel 7:658 BW?
Onder andere Vegter en Lindenbergh zijn van mening dat het toerekenen van eigen schuld als bedoeld in artikel 6:101 BW niettemin mogelijk is, namelijk door het begrip ‘eigen schuld’ in artikel 7:658 lid 2 BW zo uit te leggen dat hieronder alleen mede-oorzaken vallen die ‘in de uitoefening van de werkzaamheden’ zijn gelegen, en dus niet buiten het werk liggende oorzaken. Deze tweede soort oorzaken kan dan eventueel aan de werknemer worden toegerekend, terwijl eigen schuld op het werk nog steeds alleen van invloed is op de aansprakelijkheid van de werkgever als sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid.
Deze uitleg komt aldus Vegter niet in strijd met de beperking van het beroep op eigen schuld in artikel 7:658 BW, omdat het artikel en de beperking betrekking hebben op eigen schuld in de werksfeer. De gedachte achter de beperking van lid 2 is immers dat veel arbeidsongevallen en beroepsziekten mede het gevolg zijn van het feit dat de werknemer in zijn dagelijkse werk niet steeds de vereiste voorzichtigheid in acht neemt. Zou dit aan hem tegengeworpen kunnen worden dan zou hij veel van de bescherming van artikel 7:658 BW verliezen. Deze ratio geldt echter niet voor letsel dat mede is veroorzaakt door privé-omstandigheden.
Als een oorzaak voor het ontstaan van de schade of het voortbestaan van de schade niet is gelegen in de uitoefening van de werkzaamheden, maar in de privé sfeer dan zouden die oorzaken dus niet voor rekening van de werkgever moeten komen, maar voor rekening van de werknemer. Deze benadering is in de lagere rechtspraak reeds een aantal keren toegepast en staat bekend als de proportionele leer:

 

Kantongerecht Middelburg 1 februari 1999, VR 1999, 117 ( Schaier/De Schelde).
De kantonrechter bepaalde in deze uitspraak dat de schade van een (voormalig) werknemer die was blootgesteld aan asbestvezels, maar die zelf óók zwaar rookte, en die vervolgens longkanker kreeg, verdeeld moest worden naar de maatstaf van artikel 6:101 BW (r.o. 4.2.).
De kantonrechter stelt vast dat S. in aanzienlijke mate is blootgesteld aan asbest en slaat vervolgens aan het rekenen met vezeljaren, bandbreedtes en dergelijke, zonder dat ook maar in enige mate verwezen wordt naar de ratio van art. 7A:1638x BW, waar slechts bij opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer de aansprakelijkheid vervalt .

 

Kantongerecht Middelburg 1 september 2003, JAR 2003/269, NJ 2003, 736 (Thier/Groeneveld).
De kantonrechter heeft hier overwogen dat ‘ tot RSI leidende activiteiten van de werknemer in de privé-sfeer moeten worden beoordeeld aan de hand van artikel 6:101 BW’. De kantonrechter achtte het voldoende dat Thier stelde dat zijn klachten waren voorafgegaan door activiteiten in loondienst met herhaalde bewegingen of een statische houding. Wel diende deze stelling volgens de kantonrechter te worden onderbouwd door de verklaring van een arts.

 

Kantongerecht Amsterdam 20 juni 2002, JAR 2004/18 (Ten Pierik/Hertel).
Longkanker door roken en blootstelling aan asbest. Verdeling van schade. Het door de deskundigen becijferde mogelijke aandeel in het ontstaan van de longkanker van de blootstelling aan asbest van 20% bepaalt de omvang van de aansprakelijkheid van de werkgever in deze. Derhalve zal de werkgever 20% van de totale materiële en immateriële schade moeten vergoeden.

 

 


In dit arrest overweegt het Hof dat wanneer er sprake zou zijn geweest van risicoverhogende factoren die aan de werknemer kunnen worden toegerekend, zoals bijvoorbeeld roken, dat dit op grond van artikel 6:101 BW tot vermindering van de schadevergoedingsplicht van de werkgever moeten leiden.

 

Het leerstuk van de proportionele leer is gebaseerd op de gedachte dat bij een onzeker causaal verband het alles-of-niets-principe onredelijk is. Zouden ook oorzaken van een psychische ziekte die niet zijn gelegen in de werkomstandigheden, maar in de privé-sfeer van de werknemer, slechts aan hem kunnen worden toegerekend als er sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid, dan bestaat de kans dat de werkgever aansprakelijk wordt gehouden voor de gevolgen van niet-werkgerelateerd letsel. Conform de alles-of-niets regel van artikel 7:658 BW zou de werkgever dan voor de volledige schade aansprakelijk zijn, waaronder die schade die is veroorzaakt door buiten het werk gelegen omstandigheden. Het leerstuk van de eigen schuld en van de proportionele aansprakelijkheid hebben betrekking op de omvang van de schade. De leerstukken komen pas aan de orde als de aansprakelijkheid is vastgesteld.
 


Hof Arnhem 6 juli 2004, JAR 2004/186 (Eternit/Hollink).

     
Zoek :