4.4.1. Gederfd levensonderhoud

 

In artikel 6:108 lid 1 BW wordt besproken over derven van levensonderhoud. Dit vereiste houdt in dat de schadevergoeding bij overlijden ook wat betreft de schadeomvang aan beperkingen onderhevig is: voorwaarde is dat de rechthebbende behoefte aan levensonderhoud heeft, en dat er sprake is van behoeftigheid.
De omvang van de schadevergoeding is afhankelijk van zowel de draagkracht die de overledene, ware hij bij leven, in de toekomst vermoedelijk zou hebben gehad, als ook van de behoeften van de nabestaanden, zoals deze zich na het overlijden verder ontwikkelen en zoals deze door alle hun toekomende baten zullen worden bepaald. Daarbij is het inkomen van de overledene vlak voor overlijden en het inkomen dat de overledene zonder overlijden zou hebben verworven van belang.
Voor de bepaling van de behoeftigheid zal uiteraard ook acht geslagen moeten worden op de inkomens- en vermogenspositie van de rechthebbende. Het ligt daarbij in de rede om rekening te houden met redelijke verwachtingen voor de toekomst. Verder moet belang worden gegeven – indien de schade als bedrag ineens wordt bepaald – aan sterftekansen en hertrouwkansen. De behoeftigheid wordt vanzelfsprekend begrensd door het moment waarop de overledene in de situatie zonder schadegebeuren niet meer in het levensonderhoud van de rechthebbende zou voorzien.
De schadeomvang wordt derhalve bepaald door het feitelijk ontbreken van middelen voor de nabestaande om een bepaald niveau van levensonderhoud te handhaven. Het gaat daarbij om de concrete behoefte aan schadevergoeding in het licht van de financiële omstandigheden van de nabestaanden en de stand waarin zij leven.
De behoeftigheid, en daarmee dus de bepaling van de schadeomvang, dient voor ieder van de in artikel 6:108 BW genoemde categorieën van rechthebbenden afzonderlijk beschouwd te worden.

 

Hier zal de belangrijkste groep worden besproken, namelijk de eerste groep (“echtgenoot en kinderen”). Bij berekening van de omvang van de schade wegens gederfd levensonderhoud dient onderscheid gemaakt te worden tussen de vaste en de variabele lasten van het huishouden. Uitgangspunt is dat de totale uitgaven voor de variabele lasten door het overlijden zullen verminderen met het gedeelte dat aan de overledene wordt toegerekend. Dit gedeelte pleegt te worden bepaald aan de hand van de Amsterdamse Schaal; de gezinsleden krijgen daarbij punten volgens een bepaalde verdeling. Een volwassen man of vrouw krijgen 100 punten en de kinderen krijgen punten naar verhouding tot hun leeftijd. Hoe hoger de leeftijd des te meer punten. Uiteindelijk ontstaat er een breuk, bijv. man (100), vrouw (100) en kind van 7 jaar (50). In totaal 250 punten en als de man overlijdt moet er 100/250 deel in mindering worden gebracht op de variabele lasten. Vaste lasten worden volledig vergoed.
 

     
Zoek :