1.3.1 Kansvergroting

 

De aan de ondergeschikte gegeven opdracht tot het verrichten van een bepaalde taak moet de kans op de fout objectief, dat wil zeggen volgens statistische ervaringsregels, hebben verhoogd. Aangenomen zal mogen worden dat beslissend is of er voldoende verband bestaat tussen de functie van de ondergeschikte en de door hem begane fout.
Het criterium van de ‘kansvergroting’ zal aan de hand van concrete omstandigheden nader moeten worden ingevuld. Zo zal het feit dat de fout tijdens werktijd is begaan, vaak een aanwijzing vormen dat er voldoende functioneel verband bestaat. Dit hoeft echter niet steeds het geval te zijn. Anderzijds sluit het feit dat de fout gedurende de vrije tijd is gepleegd, niet uit dat er voldoende verband is met de taak om tot aansprakelijkheid van de werkgever te concluderen. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn indien de fout is begaan met materiaal waarover de ondergeschikte vanuit zijn functie de beschikking heeft. Het feit dat de werkgever de schadeveroorzakende gedraging had verboden sluit zijn aansprakelijkheid hiervoor niet uit.
 

Hoge Raad 1 februari 1957, NJ 1957, 175.
Het gebruik van een auto van de werkgever voor privé-doeleinden, werd ondanks verbod van de werkgever, toch beoordeeld als ‘in de werkzaamheden verricht’.

 

Indien de benadeelde wist, dat de ondergeschikte in strijd met instructies of verbod van diens meester handelde, wordt hem veelal de aanspraak op schadevergoeding ontzegd op grond van artikel 6:101 BW .
 

     
Zoek :