4.4. Omvang van de schadevergoeding

 

Onder het oude recht gold voor een recht op schadevergoeding uit hoofde van artikel 1406 oud BW het vereiste van behoefte.

 

Behoefte =

wordt verstaan de norm volgens welke kan worden vastgesteld met welk bedrag de overledene, indien hij of zij in leven zou zijn gebleven, de rechthebbende in het levensonderhoud voorzien zou hebben.


Behoeftigheid =

hiermee wordt de schade bedoeld, dus het bedrag dat nodig is om in de behoefte te voorzien. De inkomens- en vermogenspositie van de rechthebbende is daarbij van belang.

 

Voor de bepaling van behoefte zal gekeken moeten worden naar de financiële omstandigheden van de overledene en de stand waarin deze leefde. Voor de vaststelling van de behoeftigheid wordt acht geslagen op het (toekomstige) inkomen en vermogen van de rechthebbende. Daarbij worden alle financiële omstandigheden meegewogen, zoals een opgekomen nalatenschap en inkomen uit (toekomstige) arbeid.
Het leerstuk van de behoeftigheid biedt ook de mogelijkheid om gewicht te geven aan het feit dat nabestaanden bij het overlijden immateriële schade lijden, ook al kan die schade binnen de grenzen van artikel 6:108 BW niet voor vergoeding in aanmerking komen. Indien bijvoorbeeld na het overlijden aan de nabestaanden een verzekeringsuitkering toekomt, kan de rechter aannemen dat die uitkering mede strekt ter verzachting van het leed dat is veroorzaakt door het overlijden, en in zoverre kan die uitkering dus niet worden geacht te voorzien in de behoefte van nabestaanden aan levensonderhoud .
 

     
Zoek :