5.4. Omvang van het smartengeld

 

De vaststelling van de hoogte van het smartengeld is niet eenvoudig. Artikel 6:106 BW bepaalt slechts dat de schadevergoeding naar billijkheid moet worden vastgesteld. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat dit betekent dat de rechter bij de vaststelling van het smartengeld rekening moet houden met alle omstandigheden van het geval.
Bij de bepaling van de omvang van de vergoeding zullen de persoonlijke omstandigheden van de benadeelde een rol spelen, maar de rechter zal de zwaarte van het verdriet, de ernst van de pijn, het gemis aan levensvreugde en het geschokte rechtsgevoel met name moeten afleiden uit min of meer objectieve factoren en concrete aanwijzingen. In de jurisprudentie en in de literatuur zijn de nodige factoren voor de vaststelling van de omvang naar voren gebracht.

 

Relevante factoren zijn:

  1. de aard van de aansprakelijkheid;
  2. de aard en ernst van het letsel;
  3. de aard, omvang en duur van het leed;
  4. de medische, psychiatrische of psychologische behandeling;
  5. de mate van invaliditeit;
  6. de mate van bewustzijn;
  7. predispositie.

De leidraad bij het vaststellen van de hoogte van het smartengeld geldt als regel het overzicht van eerdere Nederlandse rechterlijke uitspraken. Deze uitspraken worden eens per drie jaar uitgegeven, de zogenaamde Smartengeldbundel.
 

     
Zoek :