6.2. Relevante jurisprudentie shock- en affectieschade

 

Hoge Raad 8 april 1983, NJ 1984, 717 (Van der Heijden/Holland).
In deze zaak gaat het om de vordering van een moeder die mee moet maken dat haar dochtertje van twee jaar, dat bij haar in de auto zit, ten gevolge van een verkeersongeval veroorzaakt door een ander om het leven komt. De moeder stelt ten gevolge van de dood van haar kind last te hebben van psychomatische klachten. Zij wenst vergoeding van immateriële schade, welke zij schrikschade noemt, op grond van artikel 1401 juncto 1407 BW. Zij stelt dat artikel 1406 niet in de weg staat aan haar vordering.
De Hoge Raad laat het arrest van het hof in stand, en neemt met het hof exclusieve werking van artikel 1406 aan. Geestelijke schade veroorzaakt door de dood van het kind, komt niet voor vergoeding in aanmerking.

 

Hoge Raad 9 oktober 1998, NJ 1998, 853 (Jeffrey-arrest).
Jeffrey, 3 jaar oud, komt na een therapeutische zwemles door verdrinking om het leven. Zijn ouders vorderen een verklaring voor recht dat de werkgever van de zwemtherapeute aansprakelijk is voor de dood van hun kind. Daarnaast een verklaring voor recht betreffende de vaststelling van de aansprakelijkheid, omdat zij dan pas kunnen beginnen met de verwerking van de dood van Jeffey. Het hof meent dat een verklaring voor recht dat sprake is van aansprakelijkheid een zuiver emotioneel belang is waaraan, hoe zwaarwegend ook, rechtens onvoldoende relevant belang toekomt.
Incassatie stellen de ouders nog dat de vaststelling van de aansprakelijkheid ook van belang is voor een nog in te dienen vergoeding inzake immateriële schade. Zij lichten niet toe op welke grondslag zij deze schade vorderen. AG Langemeijer wijst er in zijn conclusie op dat het hier om een novum gaat, dat daarom ontoelaatbaar is. De Hoge Raad volgt dit en wijst het cassatieberoep af.

 

Hoge Raad 8 september 2000, NJ 2000, 734 (Baby-Joost).
In de Baby Joost-zaak gaat het om de rechtsgevolgen ten opzichte van de ouders van Joost na een medische fout gemaakt bij de behandeling van Joost, waardoor bij hem een ernstige hersenbeschadiging is opgetreden. De ouders vorderen ook vergoeding van hun eigen schade. Zij stellen daartoe vier gronden, namelijk
- vergoeding van verplaatste schade.
- vergoeding uit hoofde van wanprestatie, omdat zij de behandelingsovereenkomst ook voor zich zijn aangegaan en niet slechts als vertegenwoordigers van Joost.
- vergoeding uit hoofde van onrechtmatige daad, omdat zij shockschade hebben geleden.
- aantasting van family live.
Het Hof stelt dat naast een vergoeding die de gewonde zelf kon vorderen, er geen recht op materiële of immateriële schadevergoeding voor derden bestond. Het aspect van shockschade is in cassatie niet meer aan de orde gekomen.

 

Hoge Raad 22 februari 2002, NJ 2002, 240 (Kindertaxi-arrest).
Een moeder wordt vlak na een verkeersongeval waarbij haar dochter om het leven is gekomen, op schokkende wijze geconfronteerd met het ernstig verminkte lichaam van haar dochter. Zij krijgt ernstige psychische klachten waarvoor zij zich onder behandeling moet stellen. De klachten zijn naar het zich laat aanzien blijvend. De moeder vordert vergoeding van schade die zij zelf heeft geleden, naar zij stelt als gevolg van een ook jegens haar onrechtmatige daad van de bestuurder van een taxibus, waarvan de WAM-aansprakelijkheid bij Woudsend is verzekerd. Ze vordert vermogensschade (voor o.a. therapiekosten) alsmede ander nadeel (smartengeld).
Rb: wijst vordering af, omdat de Schutznorm van artikel 6:163 BW niet zou zien op haar schade, daar deze door de bestuurder van de taxibus niet zou zijn te voorzien.
Hof:
- Shockschade: wel toegewezen. Geen reden om in dit geval niet aan te nemen dat de Schutznorm de moeder niet zou beschermen.
- Affectieschade: voor vergoeding komt niet in aanmerking het verdriet van de moeder om het overlijden van haar dochter. De moeder meent dat indien, zoals in haar geval, zowel ernstige psychische schade (wegens een schokkende gebeurtenis) als affectieschade (wegens het verlies van een naast familielid) is ontstaan, niet moet worden onderscheiden tussen beide soorten schaden en niet voor de ene soort schade wel en voor de andere soort niet een vergoeding moet worden vastgesteld. Volgens het hof is het onderscheid wel te maken.
HR: in cassatie is door de moeder aan de orde gesteld dat ook de affectieschade vergoed diende te worden. De HR wijst deze vordering af. De Hoge Raad erkent dat toekenning van affectieschade onder omstandigheden wenselijk kan zijn, maar acht het de taak van de wetgever hier regels voor te stellen.

 

Uit voorgaande jurisprudentie kan worden geconcludeerd worden dat affectieschade niet toewijsbaar is. Uit het Kindertaxi-arrest blijkt dat de Hoge Raad niet onwelwillend tegenover toekenning van affectieschade staat, maar dat het aan de wetgever is om regels hieromtrent te stellen. Shockschade daarentegen is onder voorwaarden wel toewijsbaar. Uit het Kindertaxi-arrest blijkt dat moet zijn voldaan aan de volgende voorwaarden:
1. er heeft ten gevolge van gevaarzettend handelen een ongeval plaatsgevonden waarbij iemand is gedood of gewond geraakt;
2. er moet sprake zijn van geestelijk letsel ten gevolge van de rechtstreekse confrontatie met de omstandigheden waaronder dat ongeval heeft plaatsgevonden en de hevige schok die deze confrontatie heeft teweeggebracht;
3. dit geestelijk letsel uit zich in de vorm van een psychiatrisch ziektebeeld;
4. er bestaat een rechtstreeks verband tussen het gevaarzettend handelen enerzijds en het geestelijk letsel anderzijds.
Hoewel dit niet als absolute voorwaarde wordt gesteld, zal shockschade eerder worden aangenomen indien sprake is van een nauwe (affectieve) band.
 

     
Zoek :