6.1.1 Schending verkeers- of veiligheidsnormen

Indien een verkeers- of veiligheidsnorm is geschonden die beoogt te beschermen tegen risico’s zoals die waarom het gaat -in die zin dat bij schending van die norm de kans op het aldus ontstane ongeval is verhoogd- en een dergelijk gevaar zich verwezenlijkt, dan is het aan de aangesprokene om te stellen en zonodig te bewijzen dat inachtneming van de veiligheid de schade niet had kunnen voorkomen.
Het toepassingsbereik van de aldus geformuleerde regel is niet beperkt tot geschreven verkeers- en veiligheidsnormen, maar geldt evenzeer voor ongeschreven normen . Het lijkt er bovendien op dat de toepassing ook niet beperkt blijft tot verkeers- en veiligheidsnormen met het oog op voorkoming van lichamelijk letsel, maar zich tevens uitstrekt tot schending van andere normen zoals schending van de verplichting van goed werkgeverschap die leidt tot geestelijk letsel. Het zal daarbij aankomen op de vraag welke norm precies is geschonden en of het aannemelijk is dat die schending inderdaad de kans op het ontstaan van het zich verwezenlijkte gevaar heeft vergroot.
De stelplicht en de bewijslast van de werknemer zijn hiermee sterk verlicht; de last van het bewijs ter zake van de ontkenning van de normschending ligt al op de werkgever.
De werkgever zal derhalve slechts aan aansprakelijkheid ontkomen wanneer hij bewijst dat hij heeft voldaan aan zijn verplichtingen die op hem rustten teneinde een ongeval zoals plaatsgevonden te voorkomen of dat de nakoming van die verplichtingen het ongeval niet zou hebben voorkomen.
 

     
Zoek :