6.1 Stelplicht en bewijslast bij causaal verband

De stelplicht en bewijslast t.a.v. de vraag of de werknemer schade heeft opgelopen in de uitoefening van de werkzaamheden rusten op de werknemer. Ten aanzien daarvan geldt de hoofdregel van art. 150 Rv; ‘wie stelt moet bewijzen’.
Dat betekent dat de werknemer in beginsel kan volstaan met te stellen dat hij de schade heeft opgelopen in de uitoefening van de werkzaamheden en dat hij hetgeen hij stelt moet bewijzen als de werkgever het betwist. Onvoldoende is dat de schade mogelijk is geleden in de uitoefening van de werkzaamheden. Dit kan de werknemer voor bewijsproblemen plaatsen, met name indien de schadeveroorzakende gebeurtenis in een ver verleden plaatsvond of als de schade ook een andere oorzaak kan hebben. Absolute zekerheid mag evenwel niet worden verlangd. De werknemer zal kunnen volstaan met voldoende aannemelijk te maken dat hij de schade in het kader van zijn werkzaamheden heeft opgelopen. Bij ongevallen of plotseling door het werk opkomende klachten zal dit in het algemeen geen probleem zijn. Bij sluipende of langzaam verergerende schade ligt het moeilijker, vooral als de aandoening waaraan de werknemer stelt te lijden niet per definitie arbeidsgerelateerd is en daarover ook medisch nog geen duidelijkheid bestaat. Een voorbeeld daarvan is RSI. In de jurisprudentie wordt vrij gemakkelijk aangenomen dat de werkgever aansprakelijk is. De Hoge Raad heeft terzake onderstreept dat het in beginsel aan de werknemer is te stellen en zo nodig te bewijzen dat er een oorzakelijk verband tussen de schade en de uitoefening van de werkzaamheden bestaat . Hieruit volgt dat niet op grond van het enkele feit dat de werknemer arbeidsongeschikt is en dat deze arbeidsongeschiktheid is ontstaan tijdens het dienstverband kan worden geconcludeerd dat de werknemer schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden.
 

 

     
Zoek :