§ 4. Verhouding tussen artikel 7:658 en 7:611 BW

 

De Hoge Raad heeft zich voor het eerst over de verhouding tussen artikel 7:658 en 7:611 BW uitgelaten in het arrest De Kok/Jansen’s Schoonmaakbedrijven waar het een “klassiek” 658-situatie betrof. De Hoge Raad overweegt als volgend: “Wanneer de werkgever niet is tekortgeschoten in de nakoming van de in art. 1638x lid 1 genoemde verplichtingen en hij ook overigens niet is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen, is er geen plaats voor een op ,,gebruik en billijkheid” dan wel op goed werkgeverschap in het algemeen rustende verplichting om aan een werknemer die als gevolg van een hem in de uitoefening van zijn dienstbetrekking overkomen ongeval schade lijdt, een schadevergoeding of tegemoetkoming te betalen. Zulk een verplichting is met name onaanvaardbaar omdat daardoor, in strijd met de strekking van art. 1638x, op de werkgever een aansprakelijkheid zou worden gelegd zonder dat er sprake is van een tekortkoming aan zijn kant.”

 

De norm van artikel 7:658 BW betreffende de veiligheid van de werkomgeving is in feite een nadere specificering van het goed werkgeverschap van artikel 7:611 BW. In dat licht bezien zou het niet logisch zijn dat toepassing van de algemene redelijkheid en billijkheidsnorm wél tot aansprakelijkheid van de werkgever zou leiden, terwijl toepassing van de meer uitgekristalliseerde norm nul op rekest zou geven. Anders gezegd: het lijkt voor de hand te liggen dat in geval van schade opgelopen in het kader van de uitoefening van de werkzaamheden, voor een zelfstandige aansprakelijkheid op grond van artikel 7:611 BW geen plaats is. Hiermee zou alsnog via een achterdeur een risico-aansprakelijkheid worden bewerkstelligd.

 

In de rechtspraak is slechts een geval bekend van een zuivere 658-situatie waarbij de werkgever zijn zorgplicht niet had geschonden, maar toch via artikel 7:611 BW aansprakelijk werd gehouden voor de schade van de werknemer:

 

Kantongerecht Beetsterzwaag 12 juni 2001, Prg. 2001, 5714 (Van der Veen/Stichting Maartenswouden).
Een verpleegkundige vordert onder meer veroordeling van haar werkgeefster op grond van artikel 7:658 BW om aan haar te voldoen de geleden en te lijden schade ter zake een trap van een patiëntje tegen haar rechterknie. De kantonrechter is de mening toegedaan dat werkgeefster niet is tekortgeschoten in haar zorgplicht van artikel 7:658 BW, maar op grond van goed werkgeverschap de schade moet vergoeden, zo blijkt uit het volgende: “Uit hetgeen hiervoor onder punt 13 is overwogen, volgt dat Maartenswouden niet tekort is geschoten in haar in artikel 7:658 BW gegeven zorgplicht. Aansprakelijkheid van Maartenswouden voor door Nicolai geleden schade kan dan ook niet op dat artikel gegrond zijn. Dit laat naar het oordeel van de kantonrechter evenwel onverlet dat ook in gevallen waarin aan de eisen van artikel 7:658 BW is voldaan en vastgesteld is dat de werkgever aan zijn zorgplicht heeft voldaan, de eis zich als goed werkgever te gedragen onder bijzondere omstandigheden met zich mee kan brengen dat de werkgever toch aansprakelijk gehouden moet worden voor door de werknemer geleden schade.”

 

De artikel 7:611 BW-uitspraken betroffen echter louter ongevallen waarvoor artikel 7:658 BW in feite niet is geschreven (een enkele uitzondering daargelaten) en om die reden niet vallen onder het bereik van artikel 7:658 BW (zoals verkeersongevallen, bedrijfsuitjes). De werkgever werd toch aansprakelijk geacht, omdat de schade was veroorzaakt door een handeling, gebeurtenis of situatie die wél werkgerelateerd was én die bepaalde voor de werkgever (van tevoren) kenbare risico’s meebracht. Van een goed werkgever mag dan worden verwacht dat hij die risico’s óf tot een minimum beperkt, óf erop toeziet dat – indien deze risico’s zich toch verwezenlijken – de financiële gevolgen gedekt zijn door een adequate verzekering. Hoewel dit in de uitspraken niet met zoveel woorden wordt gezegd, is de achterliggende gedachte naar alle waarschijnlijkheid mede het gegeven dat dergelijke schadegevallen als gevolg van de versobering van de WIA (WAO) niet of nauwelijks meer gedekt worden door het socialezekerheidsstelsel en het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid (maatschappelijk) onaanvaardbaar wordt geacht deze schade (geheel) bij de werknemer te laten liggen.

 

Kortom, werknemers die een ongeval is overkomen dat binnen het toepassingsbereik van artikel 7:658 BW valt, maar waarbij de werkgever geen zorgplicht heeft geschonden, kunnen niet via artikel 7:611 BW alsnog hun schade vergoed krijgen. M.a.w. artikel 7:611 BW dient niet als vangnet voor gevallen waarbij artikel 7:658 BW nul op rekest oplevert. Voor een ongeval dat wel werkgerelateerd is maar plaats vond buiten de werkplek, althans buiten het gezagsveld van de werkgever (buiten toepassingsbereik van artikel 7:658 BW) kan artikel 7:611 BW de werknemer wellicht een vangnet bieden. Indien de (financiële) gevolgen van de schade niet (afdoende) verzekerd zijn én deze ook niet worden gedekt door het socialezekerheidsstelsel, dan zou de werknemer onevenredig hard worden geraakt kunnen worden indien de werkgever nooit aansprakelijk zou (kunnen) zijn voor schade opgelopen bij of door een gebeurtenis die buiten het bereik van artikel 7:658 BW valt, maar die wel degelijk werkgerelateerd is. Kritiek van Hartlief hierop is dat het verkeersslachtoffer beter af lijkt te zijn dan het “klassieke” slachtoffer. Die laatsten krijgen immers bij gebreke van tekortschieten van de werkgever nul op rekest. Hij ziet de rechtvaardiging van deze bijzondere behandeling van verkeersslachtoffers in vergelijking met de “klassieke” slachtoffers niet: in beide gevallen betreft het immers de verwezenlijking van risico’s die kennelijk aan het werk verbonden zijn doch die de ene keer wel (arbeidsongeval in het verkeer) en de andere keer (“gewoon” arbeidsongeval) – bij gebreke van een tekortkoming aan de zijde van de werkgever – niet tot vergoeding leidt .
 

     
Zoek :