8.5. Verjaring

 

De verjaring van de wettelijke rente is ondergebracht bij de verjaring van periodieke vorderingen (artikel 3:308 BW). Deze vordering van de vergoeding van de wettelijke rente verloopt na vijf jaar na de aanvang van de dag, volgend op die waarop de vordering opeisbaar is geworden. de aanvang van de termijn is dus afhankelijk van de opeisbaarheid van de wettelijke rente. Artikel 6:119 BW stelt voor de opeisbaarheid geen termijn, aangenomen mag worden dat de vordering opeisbaar is op het moment waarop de wettelijke rente is vastgesteld.
 

     
Zoek :