2.3 Verkeer

 

Vele werknemers begeven zich in verband met hun werkzaamheden op de weg. Het kan daarbij gaan om werknemers die als het ware “onderweg” werken, zoals chauffeurs, waardoor hun werkplek zich onderweg bevindt. Ook valt te denken aan woon-werkverkeer en aan vervoer tussen verschillende werkplekken. Voor wat betreft het woon-werkverkeer is door de Hoge Raad reeds uitgemaakt dat dit niet onder het toepassingsbereik van artikel 7:658 BW valt . Steeds kan de vraag rijzen of de zorgplicht van artikel 7:658 BW zich uitstrekt tot ongevallen die zich onderweg voordoen, dan wel of de werkgever op een andere grond aansprakelijk kan worden gehouden. De Hoge Raad laat zich in een aantal arresten uit over de aansprakelijkheid van de werkgever bij verkeersongevallen van een werknemer. Hieronder volgt een korte bespreking van de belangrijkste arresten.

 

Hoge Raad 16 oktober 1992, RvdW 1992/227 (Schuitmaker/Bruinsma Tapijt).
Het betrof hier een werknemer die in het kader van zijn werk gebruik maakt van zijn eigen auto. Tijdens zijn werk raakt de auto echter beschadigd als gevolg van een ongeluk. De werknemer stelt de werkgever aansprakelijk voor de zaakschade aan de auto.
In zijn beslissing stelt de Hoge Raad voorop dat er geen algemene regel is die inhoudt dat de werkgever aansprakelijk is voor schade aan een zaak van een werknemer zelf die hij gebruikt tijdens zijn werk. Dit is in beginsel echter anders wanneer dit gebruik zo overweegt de Hoge Raad “ naar de aard van die zaak, zoals zich in het bijzonder voordoet bij een auto, risico’s van ernstige beschadiging van die zaak meebrengt, niet alleen door fouten van derden, maar ook in samenhang met … het ervaringsfeit dat de dagelijkse omgang met dergelijke zaken de gebruiker daarvan licht ertoe zal brengen niet steeds alle voorzichtigheid in acht te nemen die ter voorkoming van ongevallen geraden is.” De Hoge Raad is zich bewust van art. 1638x BW: “Aan het voorafgaande doet niet af dat de werknemer met betrekking tot schaden door ongevallen met zijn eigen auto, ter zake waarvan de werkgever in beginsel geen zorgplicht heeft, geen aanspraken zal kunnen gronden op art. 7A:1638x.”

 

Hoge Raad 12 januari 2001, JAR 2001/24 (Vonk/Van der Hoeven).
In het kader van het werk wordt door de werkgever een busje ter beschikking gesteld. De vier werknemers besturen dit busje om toerbeurten. Uiteindelijk vindt een ongeluk plaats waarbij alle vier werknemers gewond raken. De drie inzittenden zien hun schade vergoed door de verzekering, maar de bestuurder niet. Hij stelt daarop de werkgever aansprakelijk op grond van artikel 7:658 BW en subsidiair op grond van redelijkheid en billijkheid. De werkgever stelt dat het niet mogelijk is buiten artikel 7:658 BW om aansprakelijkheid aan te nemen voor ongevallen die tijdens het werk zijn ontstaan. De Hoge Raad overweegt hierover als volgend: “De klacht faalt omdat een werkgever onder omstandigheden jegens zijn werknemer aansprakelijk kan zijn voor diens schade, ook al is aan de vereisten van art. 7A:1638x (oud) BW respectievelijk art. 7:658 BW niet voldaan (HR 16 oktober 1992, nr. 14 721, NJ 1993, 264 en HR 22 januari 1999, nr. 16 700, NJ 1999, 534).”


Hoge Raad 9 augustus 2002, JAR 2002/205 (De Bont/Oudenallen).
De Bont rijdt elke dag vanaf zijn woonplaats met zijn eigen auto naar de plaats waar het werk wordt verricht. Hij ontving hiervoor verscheidene toeslagen, namelijk een reisurenvergoeding, een autokostenvergoeding en een meerijderstoeslag vanwege de collega’s die met hem meereden. De Bont krijgt een ongeluk en hij zowel als zijn andere drie bijzittende collega’s raken gewond. Hij stelt zijn werkgever primair aansprakelijk op grond van 7:658 BW. De Hoge Raad overweegt over de toepassing van 7:658 BW het volgende: “Art. 7:658 BW schept voor de werkgever een zorgplicht voor de veiligheid van de werkomgeving van de werknemer en de door deze te gebruiken werktuigen. Deze zorgplicht en de daaruit voortvloeiende aansprakelijkheid houden nauw verband met de zeggenschap van de werkgever over de werkplek en zijn bevoegdheid de werknemer aanwijzingen te geven ter zake van de (wijze van) uitoefening van diens werkzaamheden. Ook al moeten deze zorgplicht en het vereiste dat de schade door de werknemer is geleden “in uitoefening van de werkzaamheden” als bedoeld in het tweede lid van voormeld artikel ruim worden uitgelegd, daaronder valt niet een geval als het onderhavige waarin een werknemer bij het besturen van zijn eigen auto op weg naar zijn werk een verkeersongeval veroorzaakt heeft.” Wel zag de Hoge Raad gezien de omstandigheden (door werkgever aangewezen op eigen vervoer, onkostenvergoeding, schade niet gedekt door verzekering) mogelijkheid voor aansprakelijkheid op een andere grond, namelijk artikel 6:248 lid 1 BW.

 

Gezien de lijn in bovengenoemde arresten kan worden geconcludeerd dat artikel 7:658 BW geen oplossing zal bieden voor een werknemer die letsel heeft opgelopen door een verkeersongeval (behoudens bijvoorbeeld het geval waarin de werkgever een gebrekkig voertuig ter beschikking stelt) en zal hij voor vergoeding een beroep moeten doen op artikel 7:611 c.q. 6:248 lid 1 BW.
 

     
Zoek :