§ 7. Voordeelstoerekening 

 

Een ongeval kan naast nadelen ook voordelen met zich meebrengen. De vraag die dan aan de orde komt is of die voordelen moeten worden verrekend bij de bepaling van de omvang van de schadevergoeding. Artikel 6:100 BW bevat de algemene regel inzake de voordeeltoerekening: “Heeft een zelfde gebeurtenis voor de benadeelde naast schade tevens voordeel opgeleverd, dan moet, voor zover dit redelijk is, dit voordeel bij de vaststelling van de te vergoeden schade in rekening worden gebracht.”

 

De rechter heeft een grote mate van vrijheid op dit punt. In sommige gevallen stelt de wet buiten twijfel dat verrekening wel of niet plaats dient te vinden, zo bijvoorbeeld t.a.v. loondoorbetaling bij ziekte (artikel 6:107a BW), de uitkering op grond van een aantal sociale verzekeringswetten en een verbeurde en geïnde dwangsom (artikel 611c Rv).

 

Op 1 februari 2002 heeft de Hoge Raad een, met name voor de afwikkeling van personenschade, belangrijk arrest over voordeelstoerekening gewezen . Uit het arrest blijkt dat slechts voordelen die voortvloeien uit dezelfde gebeurtenis waaruit de schade voortvloeit bij de vaststelling van de te vergoeden schade in rekening gebracht kunnen worden ‘voorzover dit redelijk is’. Er moet minimaal een conditio sine qua non-verband bestaan tussen de schadegebeurtenis en het voordeel. Voordelen die ook zouden zijn ontstaan zonder de schadebrengende gebeurtenis kunnen uiteraard niet worden toegerekend.
Ook heeft de Hoge Raad in dit arrest overwogen dat voordelen die in werkelijkheid niet zijn genoten niet voor voordeelstoerekening in aanmerking komen. Uit de uitspraak lijkt te kunnen worden geconcludeerd dat de benadeelde niet de plicht heeft zich in te spannen voordelen te verwerven die door middel van voordeelverrekening in rekening zouden kunnen worden gebracht bij de vaststelling van de te vergoeden schade.

 

Hoge Raad 1 februari 2002, NJ 2002, 122 (Van Straaten/Brandts).
Indien in een concreet geval beoordeeld moet worden of een zelfde gebeurtenis die voor een benadeelde schade heeft geleverd, voor hem tevens een voordeel heeft opgeleverd dat bij de vaststelling van de te vergoeden schade in rekening moet worden gebracht, dient de rechter in de eerste plaats te onderzoeken of het gestelde voordeel in voldoende causaal verband staat met de schadebrengende gebeurtenis. De rechter is vervolgens vrij bepaalde voordelen niet in rekening te brengen indien hem dat niet redelijk voorkomt. Voorts dient tot uitgangspunt te worden genomen dat van voordeelstoerekening slechts sprake kan zijn indien een voordeel werkelijk is genoten, of naar redelijke verwachting daadwerkelijk genoten zal worden.

 

Daarnaast is voordeelsverrekening alleen toegestaan als sprake is van voor- en nadelen met betrekking tot dezelfde schadeposten. Een materieel voordeel mag niet worden verrekend met een immaterieel nadeel, en andersom. Ook mag bijvoorbeeld een besparing in vervoerskosten (voordeel) niet worden verrekend met een achteruitgang in inkomen (nadeel). Dat noemt men wel de spiegelbeeld-functie. Zo kan het verlies aan arbeidsvermogen alleen worden verminderd door verrekeningen van uitkeringen die strekking hebben om de inkomensachteruitgang op te vangen. Het is dus niet de bedoeling om eerst een totaaltelling van de nadelen te maken en daarop vervolgens de voordelen in mindering te brengen.

 

Hoge Raad 11 februari 2000, NJ 2000, 275 (De Preter/Van Uitert).
Indien het voordeel van de verkoper voortvloeit uit de niet-nakoming door de koper van zijn afnameverplichting en de schade van de verkoper uit vertraging in de betaling van de koopprijs door de koper, is niet sprake van een zelfde gebeurtenis in de zin van art 6:100 BW.

 

Hoge Raad 21 februari 1997, NJ 1999, 145 (Wrongful Birth).
Uitgangspunt is dat immateriële voordelen slechts in rekening behoren te worden gebracht bij de vaststelling van eventuele immateriële schadevergoeding.

 

Lindenbergh ziet zelf geen ‘principiële’ reden om de toerekening van financiële voordelen op immateriële schade uit te sluiten, nu door het vaststellen van smartengeld zijns inziens de immateriële schade op geld wordt gewaardeerd.
Teeuwissen is van mening dat in zo’n geval voordeelstoerekening nooit aan de orde kan zijn, omdat smartengeld niets te maken heeft met vergoeding van schade. Ook al zou er bijvoorbeeld overeenstemming over bestaan dat blindheid aan 1 oog € 20.000,- smartengeld dient op te leveren, dan wil dat nog niet zeggen dat daarmee de immateriële schade is gewogen en is getransformeerd in vermogensschade. Het bedrag van € 20.000,- vergoedt niet het leed dat het gevolg is van de blindheid, maar vormt hooguit een stukje juridische erkenning van dat leed. Derhalve is ook niet in te zien hoe men door het niet in rekening brengen van financiële ‘voordelen’ op het smartengeld, op het gebied van immateriële schade zou worden overgecompenseerd. Het willen voorkomen van overcompensatie is echter juist de bestaansreden van het leerstuk van de voordeelstoerekening.
 

     
Zoek :