8.2. Wettelijk fixum 

 

Artikel 6:119 lid 1 BW fixeert de schade wegens de vertraging in de voldoening van een geldsom op een naar een vaste maatstaf te berekenen bedrag aan wettelijke rente. Enerzijds behoeft de schuldeiser niet te bewijzen enig renteverlies te hebben geleden en wordt de schuldenaar niet toegelaten tot het bewijs dat de schuldeiser geen of minder nadeel heeft geleden. Anderzijds wordt de schuldeiser niet in de gelegenheid gesteld te bewijzen dat zijn werkelijke schade hoger is. Dit fixatiestelsel strekt ertoe onzekerheden omtrent de bewijspositie op dit punt te vermijden en in het bijzonder om discussies en bewijslevering te voorkomen ten aanzien van de vraag of in een bepaald geval schade door vertraging is geleden en zo ja, tot welk bedrag.
Artikel 6:119 BW bevat geen dwingend recht. Partijen kunnen een hogere of lagere rente bedingen dan de wettelijke rente. Dit is uiteraard alleen relevant voor het geval partijen t.a.v. evt. vertragingsschade in een contractuele relatie tot elkaar staan. Dit zal bij de meeste personenschade-zaken niet het geval zijn, tenzij het bijvoorbeeld gaat om een vervoersovereenkomst of de nakoming van een vaststellingsovereenkomst.
Lid 3 bepaalt dat een bedongen rente, die hoger is dan de wettelijke rente, na verzuim doorloopt, ongeacht de geldende wettelijke rente. Voor de beantwoording van de vraag of de bedongen rente hoger is dan de wettelijke rente moet wel rekening worden gehouden met de regel dat bij de wettelijke rente, rente over rente mag worden gevorderd (artikel 119 lid 2 BW), hetgeen niet van rechtswege geldt bedongen rente. Algemeen wordt aangenomen, dat wanneer de contractuele rente lager is, zij vanaf het intreden van verzuim door de wettelijke rente wordt vervangen.
Het fixatiestelsel van artikel 6:119 en 120 BW houdt in dat “andere schadesoorten” die een gevolg zijn van de vertraging in de betaling van een geldsom niet voor vergoeding in aanmerking komen. Zo laat artikel 6:119 BW geen ruimte voor het vorderen van compensatoire interessen, wegens het te laat betalen van een geldsom Deze dienen ter compensatie van renteverlies, voortspruitend uit een andere oorzaak dan de niet tijdige betaling van een geldsom (bijv als bij benadeelde een vermogensbestanddeel ontnomen is en hij het ontnomen heeft moeten vervangen, hier maakt hij kosten voor, over welk bedrag hij vervolgens rente mist). Vergoeding van de compensatoire interessen kan plaatsvinden o.g.v. de algemene voor schadevergoeding geldende regels (artikelen 6:74 en 6:94 BW e.v.).
Er is in het fixatiestelsel ook geen ruimte voor een afzonderlijke geldontwaardingsschade. Deze schade is immers te voorkomen door hetgeen men met het geld van plan was met ander geld dan het verschuldigde te verwezenlijken. Met de wettelijke rente krijgt de schuldeiser ‘ de marktprijs’ van de betreffende geldsom vergoed. Komt niet voor vergoeding in aanmerking.
Een uitzondering op het fixum van artikel 6:119 BW is het recht van de schuldeiser op vergoeding van koerswijzigingsschade in de zin van artikel 6:125 BW. Dit is de schade die de schuldeiser heeft geleden, doordat na het intreden van verzuim de koers van het geld tot betaling waarvan de verbintenis strekt, zich t.o.v. die van het geld van een of meer andere landen heeft gewijzigd. Ook komen voor vergoeding in aanmerking redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte, de buitengerechtelijke kosten, behoudens voor zover in het gegeven geval krachtens artikel 57 lid 6 Rv de regels betreffende proceskosten van toepassing zijn.

 

Het fixatiebeginsel verzet zich er volgens de Hoge Raad tegen dat deze gefixeerde schadevergoeding op grond van artikel 6:100 BW wordt verminderd met het bedrag van een voordeel dat aan de schuldeiser toevalt als gevolg van de gebeurtenis die de schuldenaar tot schadevergoeding verplicht .
In het arrest Ahold/Staat overweegt de Hoge Raad dat de strekking van artikel 6:119 BW is om de schade die voortvloeit uit de vertraging in de voldoening van een geldsom te fixeren, ter wille van de rechtszekerheid en de hanteerbaarheid van het recht. Daaruit volgt dat aanspraak bestaat op het door artikel 6:119 BW gefixeerde bedrag aan vertragingsschade, ongeacht of daadwerkelijk schade is geleden. Uit de fixatie vloeit ook voort dat geen hogere vergoeding gevorderd kan worden indien de daadwerkelijke schade hoger zou zijn dan het gefixeerde bedrag. Voorts heeft de fixatie tot gevolg dat er geen plaats is voor voordeelstoerekening op de voet van artikel 6:100 BW indien de gebeurtenis voor de benadeelde naast schade tevens voordeel (in casu afwenteling van de accijns op de consument) heeft opgeleverd. Wel kan in het oordeel van de Hoge Raad de in artikel 6:109 BW aan de rechter toegekende matigingsbevoegdheid toepassing vinden bij vertragingsschade op grond van artikel 6:119 BW. Gezien de strekking van artikel 6:119 BW dient van de matigingsbevoegdheid in dat kader zeer terughoudend gebruik te worden gemaakt, en kan de matiging niet worden gegrond op het enkele feit dat geen schade is geleden, of de schade is afgewenteld op de consument.
 

     
Zoek :